BOUF Nieuwsbrief: 22 juli 2020

Update 22 juli 2020

Legal Update

Wij hebben voor u de ontwikkelingen van afgelopen weken op een rij gezet. Met o.a. gezamenlijk visie ‘GGZ in 2025’ van de zorgverzekeraars en de samenwerking voor toekomstbestendige paramedische zorg.

Klik hier.

Hebt u behoefte aan extra juridische duiding? Neemt u dan telefonisch contact op met onze senior legal counsel mr. Danielle Kikken via 06 – 16175789. 


Wet toetreding zorgaanbieders
Op 9 juni jl. is het wetsvoorstel Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) in de Eerste Kamer als hamerstuk afgedaan. De Wtza vervangt de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) en brengt enkele veranderingen met zich mee.
Ten eerste zal de meldplicht en de uitbreiding daarvan worden besproken. Daarna zal worden ingegaan op de vergunningplicht onder de Wtza. Ten slotte komt de onafhankelijk intern toezichthouder aan bod.

Uitbreiding meldplicht
De meldplicht zoals die bestond onder de WTZi wordt uitgebreid in de Wtza. Ten eerste wordt de reikwijdte ten aanzien van het toepassingsbereik vergroot. In de WTZi werden veel zorgaanbieders al van rechtswege toegelaten, dit vervalt in de Wtza.
De meldplicht zal gelden voor zorgaanbieders die zorg verlenen als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen (Wkkgz), dit betekent in de praktijk zorgaanbieders die o.a. Wlz-zorg, Zvw-zorg verlenen. De reikwijdte is daarmee breed, breder dan van de WTZi. Zo is de meldplicht in de Wtza van toepassing op zowel hoofd- als onderaannemers, bij de WTZi gold de plicht slechts voor de hoofdaannemers.

De plicht houdt in dat alle zorgaanbieders zich moeten melden bij de Minister. Zo wordt op een overzichtelijke wijze in kaart gebracht welke zorgaanbieders actief zijn in Nederland.
De meldplicht dient een tweeledig doel:

  •  Zorgaanbieders wijzen op de (kwalitatieve) eisen die worden gesteld aan de zorgverlening;
  • Het houden van effectief risico gestuurd toezicht door IGJ.

De uitvoering van de Wtza is geregeld in de AMvB bij de wet (die nu ter internetconsultatievoor ligt). In de AMvB zijn uitzonderingen op de meldplicht opgenomen, waaronder apotheken ingeschreven in het register zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet en regionale ambulancevoorzieningen. De reden voor het maken van uitzonderingen op de meldplicht is dat deze zorgaanbieders al op een andere wijze bekend zijn bij IGJ of dat zorgaanbieders slechts ondersteunende werkzaamheden uitvoeren.

Vergunningsplicht
De Wtza introduceert naast de uitbreiding van de meldplicht ook een vernieuwde vergunningsprocedure. De Wtza-vergunning zal de WTZi-toelating vervangen. Artikel 4 Wtza legt vast dat een zorgaanbieder over een toelatingsvergunning dient te beschikken in de volgende gevallen 1) indien zij medisch specialistische zorg verleent of 2) zij met meer dan 10 zorgverleners zorg of een andere dienst onder de Wlz of Zvw verleent of doet verlenen.

Daarnaast brengt de Wtza een aanscherping van de weigerings- en intrekkingsgronden met zich mee. Artikel 5 Wtza vermeldt weigeringsgronden…
Lees hier het artikel verder


NZa advies over de medisch generalistische zorg
De NZa adviseert om de medisch generalistische zorg (MGZ)[1] voor Wlz-patiënten onder één regime te brengen, zo blijkt uit een onlangs gepubliceerd onderzoek. Het ministerie van VWS besloot vorig jaar het advies van het Zorginstituut over de positionering van behandeling in de Wlz niet over te nemen, wegens zorgen over de meerkosten van de aanvullende zorgvormen en de toegankelijkheid van de MGZ. Onderdeel van de vervolgaanpak van VWS is het onderzoek naar de toegankelijkheid, beschikbaarheid en organiseerbaarheid van de MGZ voor Wlz-patiënten.

Knelpunten
De NZa signaleert 4 belangrijke knelpunten: Ten eerste is de zorgvraag zwaarder geworden. De dubbele vergrijzing slaat toe, en veel ouderen en mensen met een handicap wonen langer thuis waardoor de huisarts meer en zwaardere patiënten krijgt. Daarnaast doen Wlz-aanbieders vaker een beroep op de SO en AVG. Door deze ontwikkelingen wordt de druk op de toch al schaarse capaciteit aan artsen en verpleegkundigen vergroot.
Daarbij zijn de randvoorwaarden voor MGZ niet op elke locatie waar Wlz-patiënten verblijven op orde. Deskundig personeel, de bereikbaarheid van de SO en AVG, zorg in de avond-, nacht- en weekenduren en de uitwisseling van patiëntgegevens zijn niet op elke locatie afdoende geborgd.
Verder komt de samenwerking in de keten voor MGZ niet overal goed tot stand. Doordat de deskundigheid van de huisarts, SO en AVG niet helder is afgebakend loopt deze deels in elkaar over. Hoewel dit ook een positieve uitwerking kan hebben, is er in de regio’s waar samenwerking niet goed tot stand komt ruimte voor zorgaanbieders om verantwoordelijkheden af te schuiven.
Tot slot wordt gesignaleerd dat de bekostiging van MGZ aanbiedersgericht is, waardoor elke actor zijn eigen prestaties en tarieven kent. De bekostiging is per leveringsvorm anders en is bovendien versnipperd over de Zvw en Wlz. Dit leidt tot onduidelijkheid bij zowel artsen als Wlz-aanbieders.

Oplossingsrichtingen
De NZa ziet hoofdzakelijk twee perspectieven voor het verminderen van voornoemde knelpunten. Ten eerste adviseert de NZa de MGZ onder te brengen in de Wlz of de Zvw. Op die manier kan de inkoop van MGZ op één lijn worden gebracht en is het zorgkantoor óf de zorgverzekeraar verantwoordelijk, waardoor een doelmatiger inzet van MGZ kan worden bewerkstelligd. In het rapport zet de NZa de voor- en nadelen uiteen voor een positionering in de Wlz of Zvw. In ieder geval heeft deze keuze de voorkeur boven het huidige hybride model. De NZa benadrukt dat verdere uitwerking, gezien de zorginhoudelijke componenten, vraagt om een intensieve dialoog met alle betrokkenen.
Met betrekking tot het verbeteren van de afstemming, coördinatie en samenwerking tussen de betrokkenen bij de MGZ, ziet de NZa een duidelijke rol weggelegd voor de huisartsen, SO en AVG. De zorg moet goed op elkaar aansluiten en ieders verantwoordelijkheid moet helder afgebakend zijn. Heldere samenwerkingsafspraken zijn daarbij van belang en moeten waar nodig worden geactualiseerd. Daarbij moeten ook afspraken worden gemaakt over de invulling van de randvoorwaarden voor goede MGZ. Tot slot wijst de NZa erop dat momenteel niet is vastgelegd wie verantwoordelijk is voor de regionale sturing en afstemming om de keten MGZ te borgen. Afhankelijk van een keuze voor Wlz of Zvw kunnen zorgkantoren dan wel zorgverzekeraars deze sturende rol naar zich toetrekken.


[1] Onder MGZ wordt hier verstaan het geheel aan geneeskundige zorg zoals huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde (SO) en artsen verstandelijk gehandicapten (AVG) in samenspel plegen te bieden, zowel overdag als in de ANW-uren.

Hebt u behoefte aan extra juridische duiding? Neemt u dan telefonisch contact op met onze senior legal counsel mr. Danielle Kikken via 06 – 16175789. 


Lobby update

Na een hectische periode in de Nederlandse gezondheidszorg lijkt de rust enigszins wedergekeerd. De meeste zorgaanbieders kunnen inmiddels een beroep doen op financiële ondersteuning en de reguliere zorg wordt weer hervat. Door de afnemende actualiteit verzorgt BOUF deze week de laatste (ingekorte) stakeholderslijst met de laatste ontwikkelingen betreffende de gevolgen van COVID-19.

We blijven de ontwikkelingen volgen en zijn beschikbaar als u behoefte heeft aan verdere duiding. Interesse? Neemt u dan contact op met political counsel drs. Ruben Meijer 06-29418815.

Klik hier voor stakeholderlijst

Voor als u het gemist hebt!

IJzer voorraad| Er gebeurt veel omtrent het geneesmiddelenbeleid. Na een aanhoudende stijging in het aantal meldingen van een dreigende leveringsonderbreking van medicijnen is in samenwerking tussen de minister en de geneesmiddelensector besloten om een ijzeren voorraad van 5 maanden aan te leggen. Vanaf 1 juli 2022 moet deze voorraad zijn gerealiseerd.

Brief I – Geneesmiddelen | Gelijktijdig is er een publieke discussie gaande tussen de sector en de politiek. Al enige tijd staat er namelijk een prijsverlaging van geneesmiddelen gepland. In april werd deze voor een half jaar uitgesteld in verband met de COVID-19 uitbraak. In oktober 2020 zal de prijsverlaging alsnog worden doorgevoerd. Peter de Jong (directievoorzitter van medicijngroothandel Brocacef) gaf in reactie op de opgelegde prijsverlaging aan om op basis van financiële afwegingen de voorraden af te bouwen. Dit kon rekenen op hevige kritiek uit de Kamer. Vervolgens deed De Jong in een open brief aan de nieuwe minister Van Ark een oproep om niet vanuit deze huidige politieke werkelijkheid te handelen en de vrije markt zijn gang te laten gaan.

Brief II – Verpleeghuiszorg | Op de vraag aan minister de Jonge wat voor hem tijdens de COVID-19 crisis het dieptepunt was, antwoordde hij na een kleine “uh” toch vrij stellig: “de verpleeghuiszorg”. In een twintig pagina’s tellende brief trekt de minister lessen uit het gevoerde beleid binnen verpleeghuizen gedurende de eerste golf, om bij een eventuele tweede golf beter voorbereid te zijn. Hierin wordt onder andere gesteld dat verpleeghuizen beter gepositioneerd moet worden in landelijke en regionale netwerken.


Intentieovereenkomst ondertekend
Met het ondertekenen van een intentieverklaring hebben de besturen van KNMT en ANT maandag 6 juli het voornemen om een fusie van beide verenigingen tot stand te brengen bekrachtigd.De komende periode zullen de verenigingen met begeleiding van BOUF Legal werken  aan de nadere invulling van de fusie. Inspraak van en draagvlak bij de leden is daarbij cruciaal. In algemene vergaderingen die zowel KNMT als ANT houden, moeten de leden uiteindelijk het samengaan officieel goedkeuren.
#samengaan #fusie #mondzorg

 


Uitspraak van de week: ECLI:NL:TGZRAMS:2020:83

Casus

Cliënt B heeft gynaecoloog (verweerster) ontmoet tijdens een intakegesprek. B was doorverwezen door de huisarts voor overname van de verloskundige zorg in verband met een eerdere keizersnede.
B klaagt dat verweerster zich tijdens het intakegesprek niet coöperatief en onjuist heeft opgesteld, en als gevolg heeft gehandeld in strijd met goed hulpverlenerschap. Zo heeft verweerster nadat de behandelingsrelatie was beëindigd het medisch dossier van B nog meerdere malen ingezien.

Verweerster zegt dat zij zich niet kan herkennen in de opvattingen van B. Naar haar weten heeft ze open en eerlijke informatie versterkt en uitgewisseld. Verweerster stelt dat zij het vermoeden had dat B haar zwangerschap niet wilde laten begeleiden, zij maakte zich zorgen om moeder en kind. B wilde haars inziens maar weinig informatie verschaffen over de eerdere bevalling/keizersnede en gaf geen toestemming om haar medische gegevens op te vragen. Verweerster kreeg het vermoeden dat B een eerdere traumatische ervaring bij de bevalling had meegemaakt. Daarom opperde ze ondersteuning te zoeken voor B.

B besloot geen controleafspraak te maken bij verweerster en bij een collega onder zorg te willen staan. Verweerster had ondertussen een melding gemaakt bij Veilig Thuis. Toen verweerster op de hoogte werd gesteld dat B onder begeleiding stond van een collega, heeft zij de melding bij Veilig Thuis ingetrokken en vernietigd.

Uitspraak

Verweerster en B hebben slechts eenmalig contact gehad, waarbij voor beiden geen vruchtbaar resultaat werd behaald. Beide partijen hebben een andere interpretatie van het gesprek, maar in de relatie arts-cliënt is het primair aan de arts om de cliënt op haar gemak te stellen. Het college oordeelt dat verweerster zich voldoende heeft ingespannen om dit te bewerkstelligen.

Ten aanzien van de conclusie van verweerster dat B een traumatische ervaring had meegemaakt en als uiteindelijk gevolg hiervan melding deed bij Veilig Thuis, oordeelt het college dat dit een zeer ingrijpend middel is met aanzienlijke gevolgen. Verweerster had meer zorgvuldigheid moeten betrachten en had moeten inzien dat in dit stadium een melding bij Veilig Thuis niet tot de mogelijkheden behoorde.

Het college oordeelt dat de klacht van B gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij jegens B had behoren te betrachten. Zij heeft niet alles gedaan om een goede communicatie tot stand te brengen en heeft te snel naar het middel van een melding gegrepen. Dit zijn ernstige tekortkomingen en het college is van oordeel dat kan worden volstaan met een berisping.

Klik hier om de gehele uitspraak te lezen


Klik hier om u in te schrijven.


Boardroom issue: Het kind en het badwater

Marktwerking in de zorg bij het grof vuil?
Het einde van de marktwerking in de zorg is afgekondigd. Zorgorganisaties moeten minder met elkaar concurreren en ‘weer’ meer gaan samenwerken. Dit moet worden afgedwongen door de centrale overheid. Hoe? Dat gaan we nog uitwerken. Dit is de kernboodschap van minister Hugo de Jonge.
Welk probleem willen we eigenlijk oplossen, en welke nieuwe problemen gaat een dergelijke oplossing creëren?

De Argumentenfabriek heeft in 2014 op haar overzichtelijke Argumentenkaart als nadeelvan het huidige stelsel van marktwerking benoemd dat het de samenwerking in de zorg onvoldoende zou borgen. Dat ging toen echter vooral over de relatie tussen zorgaanbieders enerzijds en zorgverzekeraars en burgers anderzijds. Niemand hield toen rekening met een situatie als een pandemie waarin besluitvorming in hoge mate gecentraliseerd lijkt te moeten plaatsvinden om bijvoorbeeld een goede verdeling van mensen, middelen of capaciteit tot stand te brengen.
Als voordeel van marktwerking werd toen overigens genoemd dat ‘de zorg minder last heeft van politieke wispelturigheid, doordat marktpartijen meer macht hebben’. En ook dat ‘marktwerking (juridische) duidelijkheid schept over bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden’.
In een pandemie-situatie blijkt deze juridische duidelijkheid niet de duidelijkheid te geven die noodzakelijk lijkt te zijn en de wispelturigheid zit niet in de politiek maar in de werkelijkheid zelf: COVID-19.

Los van alle politieke overwegingen over het huidige stelsel van marktwerking in de zorg: waarom zou het beter werken als de centrale overheid hier sturender in gaat optreden? Wat zou daarvoor nodig zijn? Eén van de belangrijkste redenen om marktwerking in te voeren was nu juist het onvermogen van de centrale overheid om het complexe zorgveld vanuit één cockpit te kunnen sturen. Het is zeer verdedigbaar en begrijpelijk dat in een crisissituatie de centrale overheid de regie neemt. Maar moet crisismanagement worden doorgetrokken naar een stelseldiscussie?
Wij maken onderscheid tussen twee zaken:

  • Het crisismanagement: daarin wordt voorzien door de nieuwe ‘Coronawet’ die in voorbereiding is (met alle discussie daarover).  Die discussie laten we in dit verband even voor wat het is.
  • Een herijking van het zorgstelsel. In die discussie moet het niet gaan over meer of minder marktwerking, maar over wat ervoor nodig is om samenwerking in de zorg te bevorderen, waar die nu tekortschiet.

Marktwerking of ondernemerschap in de zorg
Wat je zou willen is dat zorgprofessionals en zorgorganisaties de samenwerking zoeken in het belang van de patiënt. Zowel in een stelsel met veel nadruk op marktmechanismen, als in een stelsel met veel nadruk op centrale sturing heb je bestuurders en zorgprofessionals nodig die de samenwerking zoeken.  Klopt het wel dat er externe prikkels (dwang, geld) nodig zijn om dit gedrag te bewerkstelligen?

Ooit was er in een bepaalde regio een ‘verkeerd bedprobleem’: oudere uitbehandelde patiënten bleven soms maanden in het ziekenhuis omdat ze niet overgeplaatst konden worden naar een verpleeghuis. Dat kwam niet zozeer omdat daar geen plekken vrijkwamen, maar omdat de indicatiestelling voor zo’n plek tot gevolg had dat thuisverblijvende ouderen met verpleeghuisindicatie altijd voorrang kregen boven ouderen die in een ziekenhuis verbleven (die hadden namelijk al zorg).
Dat was in de tijd voordat marktwerking werd ingevoerd. In diezelfde periode is dat probleem ook opgelost: daar was geen marktwerking voor nodig, maar daar waren bestuurders, managers en zorgprofessionals voor nodig die in actie kwamen en die gezamenlijk het proces van indicatiestelling hebben veranderd. Dat zou je tegenwoordig misschien ondernemerschap noemen.
Het heeft echter wel lang geduurd voordat dat probleem werd opgelost: je zou ook gewild hebben dat alle betrokkenen toch nog iets ondernemender waren geweest.
Het is de vraag of dit probleem sneller zou zijn opgelost als er centrale aansturing was geweest (of deze nu landelijk of regionaal is geregeld). Misschien had het wel geholpen als er ergens iemand met gezag had kunnen zeggen: beste mensen vindt nu eens een oplossing want anders kom ik met een oplossing. Maar ook: dat zo iemand dat ook daadwerkelijk zou doen.

Ondernemerschap
Ook dat laatste zou je ondernemend gedrag kunnen noemen. Ondernemend gedrag gaat altijd over het nemen van risico’s, bestaande grenzen overschrijden en een nieuwe werkelijkheid proberen te creëren.
Misschien is er te lang van uitgegaan dat marktwerking vanzelf dit soort ondernemend gedrag tot gevolg heeft. Dat is dus niet zo. Het is ook niet zo dat centrale aansturing dit zal afdwingen.

In de discussie over eventuele stelselwijziging gaat het dus eerder over hoe je de juiste vorm van ondernemend gedrag in de werkelijkheid terug gaat zien. Als bestuurder en zorgprofessional moet je dat eigenlijk nu al doen, en doe je dat waarschijnlijk vaker wel dan niet, gewoon omdat je vindt dat het zo hoort.
Toch is het goed om terug te denken aan je eigen ‘verkeerde bedmoment’: niet alleen hoe het uiteindelijk gelukt is, maar ook waarom het soms te lang heeft geduurd. Hoe is dat verlopen, en wat kunnen we ervan leren om in een nieuw stelsel dingen vast te leggen die echt helpen om, in het belang van patiënt en cliënt, beter samen te werken en moeilijke knopen door te hakken.

Heeft u behoefte aan een luisterend oor en/of bestuursadvies? Neemt u dan telefonisch contact op met onze senior counsel Boardroom & Governance René Benneker via
06 – 33762890.  


Van Regels naar Mensen

Dit team van creatieve aanpakkers en bevlogen professionals pakt vraagstukken bij de kern beet.

Maak kennis met BOUF
Contact